U bent nu hier:

Opleidingsplan arbeid en gezondheid: verzekeringsgeneeskunde

Competentiegericht opleidingsplan

In samenwerking met de drie specialismen binnen sociale geneeskunde (verzekeringsgeneeskunde, bedrijfsgeneeskunde en maatschappij en gezondheid) is een handboek tot stand gebracht waarin de kaders voor een competentiegericht curriculum staan beschreven. Dit handboek is in opdracht van het college sociale geneeskunde (CSG) gemaakt. In haar vergadering van 28 september 2007 is het handboek door het college vastgesteld.
Download hier het handboek Sociale Geneeskunde

Opleidingsplan per specialisme

Ieder specialisme ontwikkelt op basis van de geformuleerde uitgangspunten en binnen de gestelde kaders een opleidingsplan. Voor Maatschappij & Gezondheid (M&G) zijn dit opleidingsplannen voor de eerste fase, per profiel en voor de tweede fase. Wanneer de aios beide fases succesvol heeft afgerond kan hij zich laten registreren als specialist M&G.

Op deze pagina vindt u de kaders van het opleidingsplan Beleid en Advies, Indicatie en Advies en Openbare Geestelijke Gezondheidszorg.

Kaders uit het handboek

Competentiegericht leren en opleiden

In het handboek staat in hoofdstuk 3 de onderwijsvisie beschreven. In dit hoofdstuk wordt de basis gelegd voor de uitwerking van competentiegericht opleiden binnen de sociale geneeskunde.

Competentieprofielen

Op basis van het CanMEDS raamwerk zijn competentieprofielen opgesteld voor de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde en de verschillende profielen voor de eerste fase M&G en voor de arts M&G (tweede fase). De competentieprofielen zijn opgenomen in de bijlagen van het handboek. In bijlage 2 van het handboek vindt u het competentieprofiel verzekeringsgeneeskunde.

Profiel van het specialisme

Deze staan niet afzonderlijk in het handboek beschreven. In het kaderbesluit Sociale geneeskunde wordt dit per specialisme kort beschreven.

Inhoud en opbouw van de opleiding

In hoofdstuk 5 van het handboek wordt de inhoud en de opbouw van de opleiding beschreven.

Kritische BeroepsActiviteiten (KBA) en competentieprofiel als referentie

Voor de basis van de opleiding wordt binnen de sociale geneeskunde (de eerste en tweede fase van de opleiding maatschappij en gezondheid en de opleiding bedrijfsgeneeskunde en verzekeringsgeneeskunde) uitgegaan van KBA. De opleidingsinstituten hebben samen met de wetenschappelijke verenigingen en het werkveld een analyse gemaakt en vervolgens deze beroepsactiviteiten geformuleerd. De analyse is uitgevoerd volgens het model van Entrustable Professional Activities (EPA’s). Volgens een format zijn voor elke kritische beroepsactiviteit benoemd welke kennis, vaardigheden en attitude aspecten van belang zijn. Bij de uitwerking in het onderwijs kunnen daarbij verschillende accenten gelegd worden. Per specialisme staan de KBA’s in de bijlagen van het handboek uitgewerkt. In het handboek staan in bijlage 2 de KBA’s voor de verzekeringsarts en de competentiematrix vermeld.

Opleidingsduur en studiepunten

De totale opleiding duurt vier jaar voor een fulltime aanstelling. Dit is van belang in verband met de Europese regelgeving. De onderdelen van de opleiding zijn modulair opgebouwd.Binnen de sociale geneeskundige opleidingen is ervoor gekozen om niet meer met studie-uren te werken maar in plaats daarvan met ETCS. Onder ECTS wordt verstaan:


”The European Credit Transfer and Accumulation System is a student-centred system based on the studentworkload required to achieve the objectives of a programme, objectives preferably specified in terms of the learning outcomes and competences to be acquired.”

De totale sociaal-geneeskundige opleiding bestaat op deze wijze uit 240 ECTS, waarvan 180 ECTS in de praktijk gehaald moeten worden, 20 in stages, 34 in de instituutsopleiding en zes in het keuzedeel van de instituutsopleiding.

Structuur van de opleiding

In de opleiding vormen praktijkopleiding en de instituutsopleiding een geïntegreerd geheel. De praktijkopleiding krijgt nu veel nadruk en maakt daardoor binnen de Sociale geneeskunde een relatieve achterstand goed. Het instituutsonderwijs boet echter niet aan belang in. Beide onderdelen zijn wezenlijk en vullen elkaar aan. Een manier om de opleiding te structureren is door de activiteiten via de zogenaamde ‘leerlijnen’ te faseren. Hierdoor komt de leerdynamiek centraal te staan en niet de lesstof. Het biedt de AIOS een gevarieerde manier om competenties te ontwikkelen.

De praktijkopleiding

De praktijkopleiding kan beschouwd worden als integrale leerlijn: in authentieke situaties worden competenties in zijn ‘geheel’ geoefend en getoetst. Competenties zijn hier zichtbaar in termen van  observeerbaar gedrag, die leiden tot beroeps’producten’ die aan de specificaties voldoen. De AIOS ‘does’ (piramide van Miller).

De aios werkt in de praktijkopleiding onder verantwoordelijkheid van de opleider. Deze ondersteunt en beoordeelt de aios in zijn competentieontwikkeling. Voor de ontwikkeling van de AIOS wordt in de praktijkopleiding o.a. gebruik gemaakt van praktijkopdrachten. Daarnaast wordt het dagelijks werk op proces en product getoetst. Instrumenten als een korte praktijk beoordeling (KPB), 360° feedback en portfolio ondersteunen dit. Ook wordt de aios gestimuleerd tot pro- en retrospectief reflectie op zijn handelen.

De instituutsopleiding

De instituutsopleiding ondersteunt de competentieontwikkeling. Vaardigheid en reflectieonderwijs versoepelen het functioneren en leren in de praktijk en scherpen de bereidheid tot professioneel handelen. Kennis in de vorm van theorieën en concepten bieden de AIOS een kader voor het professioneel werken. Hierdoor leert de AIOS zijn handelen vooraf en achteraf te verantwoorden en te plaatsen in een wetenschappelijk perspectief. In hoofdstuk 5 en 6 van het handboek worden de kaders voor de praktijk- en instituutsopleiding nader uitgewerkt.

Toetsing en beoordeling

In dit onderdeel worden de kaders voor het toetsen en beoordelen uitgewerkt. In het onderdeel toets- en beoordelingsbeleid wordt ingegaan op het belang van toetsen en de kenmerken van competentiegericht toetsen in competentiegericht onderwijs. Het tweede deel bestaat uit het Protocol Toetsing en Beoordeling, waarin vastgelegd is wat en wanneer er in de opleiding getoetst wordt, wanneer de verschillende gesprekken plaatsvinden en welke procedures gevolgd worden bij twijfelachtig functionerende aios. In hoofdstuk 7 van het handboek is aan het onderdeel toetsen en beoordelen besteed.

Kwaliteitszorg

Bij het realiseren van de specialisten opleiding zijn een groot aantal personen en instellingen betrokken: aios, opleiders en instituutsopleiders, (kern)docenten, opleidingsinrichting en opleidingsinstituut. Al deze partijen zijn onderwerp van, maar ook de vormgevers van de kwaliteitszorg en daarmee verantwoordelijk voor de kwaliteitszorg. In hoofdstuk 8 staan de volgende punten centraal:

  1. Professionalisering van de opleiders en (kern)docenten (ook wel docentprofessionalisering genoemd)
  2. Evaluatie van het opleidingsproces
  3. Samenwerkingsafspraken tussen opleidingsinrichting en opleidingsinstituut.

In bijlage 4 wordt ingegaan op de professionalisering van de opleider. Hierin is het competentieprofiel van de opleider opgenomen.



< Terug naar huidige regelgeving CGS

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd