KNMG twijfelt over noodzaak verruimen Numerus fixus
In mei 2009 heeft minister Klink de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (RVZ) advies gevraagd over een verruiming of mogelijk zelfs opheffing voor de numerus fixus voor de opleiding geneeskunde. Aanleiding daartoe is onder meer de veronderstelling dat dit kan leiden tot lagere inkomens van medisch specialisten en meer concurrentie tussen artsen met als gevolg lagere zorgkosten. De verwachting is dat de RVZ eind januari haar advies zal uitbrengen. Vooruitlopend daarop heeft het Capaciteitsorgaan minister Klink geadviseerd om de numerus fixus voor de artsopleiding met 250 studenten te verhogen, van 2850 nu naar 3100 studenten straks. Aanleiding daartoe is de waarneming dat zo’n 12 procent van de basisartsen niet aan een erkende vervolgopleiding begint. Voorts dat de gewenste instroom in de huisartsopleiding hoger is dan de toegestane instroom. Ook adviseert het Capaciteitsorgaan om de instroom van artsen met een buitenlands diploma niet langer te betrekken in de vaststelling van de numerus fixus.
De KNMG staat gereserveerd tegenover een uitbreiding van de numerus fixus voor de opleiding geneeskunde . De KNMG vreest dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van de basisopleiding en kansen op werk na het afronden van de vervolgopleiding, en ook op de kosten van de zorg. Het gaat om de volgende argumenten.
1. Groter aanbod genereert meer vraag
Geenszins staat vast dat door toename van het aantal medisch specialisten de onderlinge concurrentie zodanig zal toenemen dat dit leidt tot daling van de inkomsten van specialisten én de zorgkosten. Zeker voor wat betreft het laatste is eerder het tegengestelde te verwachten, mede omdat een groter aanbod ook meer vraag genereert;
2. Uitstroom accommoderen
In 2002 is de numerus fixus reeds met circa 30 procent uitgebreid. Het eerste cohort basisartsen dat als gevolg daarvan is opgeleid begint nu aan de vervolgopleiding. Over 3 tot 6 jaar zullen de eersten daarvan uitstromen en een plek moeten vinden in bestaande praktijken. Vooralsnog is onduidelijk of de bestaande praktijken deze grotere uitstroom uit de vervolgopleidingen kunnen en willen accommoderen. Mede gezien onzekerheden over het zorgbudget voor de komende jaren is te verwachten dat bestaande praktijken vooralsnog uiterst voorzichtig zullen zijn met uitbreiding;
3. Instroom verwerken: wachttijden coschappen
Het is onzeker of de geneeskunde faculteiten een grotere instroom van studenten in de opleiding geneeskunde kunnen verwerken, met name bij het kleinschalige vaardigheden- en patiëntgebonden onderwijs. Bij een aantal faculteiten nemen de wachttijden voor de co-assistentschappen toe, deels als gevolg van de verruiming van de numerus fixus in 2002. Een verdere verruiming zal deze wachttijden verder doen toenemen, tenzij een groter aantal studenten per stageplek wordt toegelaten. Zowel toename van wachttijden als toename van het aantal studenten per stageplek heeft nadelige gevolgen voor de kwaliteit van de opleiding tot basisarts;
4. Deeltijd
Een toenemend aantal artsen werkt in deeltijd. In de curatieve sector is daardoor – uitgedrukt in fulltime equivalenten – op dit moment 64 procent van het beschikbaar aantal huisartsen actief werkzaam, voor de medisch specialisten en specialisten ouderengeneeskunde gaat het om 75 respectievelijk 74 procent. Deze tendens is deels een gevolg van een toenemende behoefte aan een betere balans tussen werk en privéleven, met name door vrouwelijke artsen. De komende jaren zal het aantal vrouwelijke artsen verdubbelen. Indien de huidige tendens van werken in deeltijd zich doorzet kan dit betekenen dat er over een aantal jaren twee artsen moeten worden opgeleid om er één aan het werk te krijgen. Dit is ondoelmatig, zeker gezien de hoge kosten van de basis- en vervolgopleidingen;
5. Herschikken van taken
Een aantal grote zorgvraagstukken (het toenemende aantal meervoudige chronische ziekten door vergrijzing en als gevolg van subspecialisatie toegenomen versnippering in de zorg) vragen om een andere, meer generalistische aanpak en meer zorgcoördinatie en afstemming. Mede hierdoor is de taakherschikking van artsen naar andere beroepen op gang gekomen, met als gevolg het instellen van nieuwe beroepen (verpleegkundig specialist, physician assistant, nurse practitioner) met een takenpakket dat vroeger deels aan de arts toebehoorde. Gespecialiseerd verpleegkundigen nemen eveneens taken over die artsen vroeger uitvoerden. De ratio achter deze ontwikkeling is dat deze beroepen beter geoutilleerd zijn voor die generalistische zorgtaken en er meer tijd voor hebben. Forse verruiming of loslaten van de numerus fixus gaat tegen deze tendens in.
De KNMG is van oordeel dat eerst de gevolgen van de vorige verruiming moeten worden afgewacht, alvorens te besluiten tot verdere verruiming van de numerus fixus. De eerste effecten van de verruiming in 2002 zijn op zijn vroegst pas over 3 à 4 jaar te overzien. Voorts dient onderzocht te worden in welke mate defragmentatie van het zorgaanbod door een betere balans tussen subspecialisatie en generalisatie, het ontmoedigen van in deeltijd werken, het bevorderen van maatregelen die in voltijd werken faciliteren alsmede taakherschikking van invloed zijn op het noodzakelijk aantal op te leiden basisartsen.
Ik & kwaliteit
Ik & kwaliteit. Nieuwe reeks in federatienieuws (Medisch Contact) en online. Met maandelijks een interview met een arts over eigen kwaliteitsactiviteiten of die van de vereniging. Heeft u een praktische uitwerking van kwaliteitsnormen waar collega’s hun voordeel mee kunnen doen? Meld u aan via kwaliteitsmeter@fed.knmg.nl.
Artsenfederatie KNMG bevordert de kwaliteit, veiligheid, transparantie en toetsbaarheid van medisch handelen en ondersteunt artsen daarin. Dit werk voeren we uit in nauwe samenhang met de zeven federatiepartners van de KNMG. Lees meer
