U bent nu hier:

Congres Evaluatie SCEN

datum 21 april 2010
tijd 14.00 - 21.00u
locatie Domus Medica Utrecht
onderwerp SCEN, Steun, consultatie, palliatieve zorg, oordeelsvorming bij euthanasie

Omschrijving

Wat is goede steun en consultatie? Op woensdag 21 april werden de mogelijkheden voor verdere professionalisering verkend. Wat zijn kenmerken van een goed en minder goed verlopen consultatie? Wat is een vroege consultate? Hoe verhoudt deze zich tot steun? Wat is steun eigenlijk? In welke mate horen SCEN-artsen palliatieve adviezen te kunnen geven? Welke bandbreedte mag er zijn in oordeelsvorming? Wat is de betekenis van een wilsverklaring bij wilsonbekwamen? Wat is een goed consultatieverslag? Wat is nu wijsheid als het gaat over verdere professionalisering van SCEN?


Aanleiding
SCEN bestaat ruim 12 jaar. Dit is na ruim twaalf jaar SCEN de tweede evaluatie. Een belangrijke aanleiding voor deze evaluatie is om een bijdrage te kunnen leveren aan het ontwikkelen van kwaliteitsbeleid voor SCEN. Het evaluatierapport van de onderzoekers van het EMGO institiuut van de VU en het AMC biedt goede aanknopingspunten voor verdere professionalisering van SCEN. Het rapport is grotendeels gebaseerd op input van vele SCEN-artsen.

Klik hier voor het verslag


Programma SCEN congres 21 april 2010

Woensdag 21 april, KNMG, Domus Medica te Utrecht

Programma

13:15 – 14:00 uur Ontvangst en registratie
14:00 – 14:05 uur Opening en woord van welkom door prof. dr. Arie Nieuwenhuijzen Kruseman, voorzitter KNMG
14:05 – 14:15 uur Inleiding door dagvoorzitter dr. Lode Wigersma, directeur Beleid & Advies KNMG
14:15 – 15:00 uur Toelichting resultaten van het onderzoek door prof. dr. Dick Willems, hoogleraar ethiek UVA/AMC, inclusief gelegenheid tot het stellen van vragen
15:00 – 16:30 uur Subsessies ronde 1
16:30 – 17:00 uur Snack pauze
17:00 – 18:30 uur Subsessies ronde 2
18:30 – 18:45 uur Wisselpauze
18:45 – 19:00 uur Voorgerecht
19:00 – 19:05 uur Inleiding dinersessie door dagvoorzitter
19.05 – 19:35 uur Dinersessie per tafel
19:35 – 20:00 uur Terugkoppeling aan de dagvoorzitter en afsluiting
20:00 – 21:00 uur Hoofdgerecht, dessert en koffie
21.00 uur Einde

Accreditatie Bureau Cluster 1 (ABC1) - 5 PUNTEN: voor huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten. Voor medisch specialisten is via het ABMS accreditatie aangevraagd.

Subsessies
Klik op de titel voor de presentatie of powerpoint.

1 Wanneer is een consultatie goed?
Er wordt eerst een korte presentatie gegeven van de procesonderdelen van de consultatie waarover volgens het rapport consensus lijkt te bestaan. De discussieleider tast af of dit klopt (zelfs nog scherper maken door te vragen of de genoemde stappen niet noodzakelijk moeten zijn) en poogt eventueel argumenten boven tafel te krijgen waarom bevindingen onderzoekers niet gedeeld worden. Vervolgens wordt eventueel aan de hand van casuïstiek 3 – 4 procesonderdelen bediscussieerd.

2 Het oordeel van prof.dr.mr SCEN-arts: baas boven baas?
Hoe komt u over als SCEN-arts? Wat is de impact van het optreden als SCEN-arts en hebben zij de indruk dat de SCEN-arts toestemming moet geven? Waarom ervaren patiënten een consultatie soms als examen? Wat draagt er aan bij om dat te voorkomen? Sommige leden van de Rte geven aan dat het soms blijkt dat SCEN-artsen zich autoritair gedrag lijken te vertonen. Hierbij kan worden gedacht aan moeilijk doen over snel aanwezig zijn bij de patiënt en een belerende houding naar patiënt en de familie. Het is natuurlijk ook een moeilijke opgave: dienstbaar zijn en meelevend met de arts en de patiënt,  maar ook objectief en eenduidig in de opvatting  ten aanzien van de zorgvuldigheidseisen Toch zou juist een goede balans daarin het kenmerk van een professionele SCEN-arts moeten zijn!

3 Steun en consultatie: een slippery slope?
Het kan soms lastig zijn om te weten wat er van een SCEN-arts wordt gevraagd: advies en ondersteuning of een formele toetsing. De S van Steun wordt niet altijd expliciet gevraagd en vaak gegeven binnen de C van Consultatie. Maar wat verstaan SCEN-artsen onder steun, wanneer verlenen ze steun en wat is de relatie met consultatie? Bijna de helft van de SCEN-artsen ziet het geven van steun als een belangrijke taak. Hoe krijgt de SCEN-arts duidelijk wat van hem wordt gevraagd? Is triageren de oplossing? Gaat het om de echte steunvraag (soms zelfs met een ‘informatief bezoek’ van de SCEN-arts aan de patiënt), de ‘vroege consultatie’ of de echte consultatie bij een voorgenomen levensbeëindiging. Hoe maak je dit onderscheid? Op welke wijze draagt steun verlenen bij aan de kwaliteit? Wanneer wordt steun van invloed op de onafhankelijkheid? Hoe kunnen SCEN-artsen voorkomen dat een tweede consultatie de onafhankelijke beoordeling van de zorgvuldigheidseisen in de weg zit?

4 Twee consulenten op één kussen
Aan euthanasie hoort goede palliatieve zorg vooraf te gaan. Maar hoeveel moet een SCEN-arts van palliatieve zorg weten? Van hen heeft 60% ooit wel eens een situatie meegemaakt waarin palliatieve zorg tekort schoot. Sommige SCEN-artsen beperkten zich tot het beoordelen van de zorgvuldigheidseisen en gaven geen palliatieve adviezen. Daar zijn consulenten palliatieve zorg voor. Andere SCEN-artsen gaven palliatieve adviezen aan de behandelaar en weer anderen ook aan de patiënt. Sommigen alleen als het een ‘vroege’ consultatie betreft; anderen ook veel later in het proces.
Zij zien daar over het algemeen geen probleem in. Van alle SCEN-artsen heeft 74% bijscholing gehad op het gebied van palliatieve zorg, waaronder de KNMG-cursus (33%), deelname aan peergroups (23%) en NHG-kaderopleiding (13%). Ruim 20% is of was ooit als consulent palliatieve zorg werkzaam. Een kwart van de SCEN-artsen gaf aan geen bijscholing te hebben gehad. Betekent dit dat het kennisniveau te laag is?

Hoeveel moet een SCEN-arts van palliatieve zorg weten? Wat moet of mag een SCEN-arts doen als de palliatieve zorg te kort (b)lijkt te schieten? Verwijzen, adviseren of als consulent palliatieve zorg optreden? Wat is de consequentie voor de onafhankelijkheid als de SCEN-arts in de S-fase of tijdens een vroeg consult een palliatief advies heeft gegeven? Kan de SCEN-arts de C-fase dan nog uitvoeren? Of is palliatieve kennis juist een balast voor de SCEN-arts?
 
5 Inter-doktervariatie eindoordeel scha(n)delijk?
Van de SCEN-artsen vindt 85% het (heel) belangrijk dat bij een consultatie een willekeurige andere SCEN-arts tot het zelfde oordeel zou komen. Bijna 80% van de SCEN-artsen vindt het ook belangrijk te streven naar een vergelijkbare interpretatie van de zorgvuldigheidseisen als de regionale toetsingscommissies euthanasie. Bijna driekwart van de SCEN-artsen acht dat met (na)scholing ook mogelijk.

Het spreekt voor zich dat de SCEN-arts toetst op grond van goede kennis van de wet, maar ook de jaarverslagen van de Rte. Het kennisniveau van SCEN-artsen over de wet laat zien dat er hiaten zijn. Zo meent een op 14 SCEN-artsen dat euthanasie alleen in de terminale fase mag worden uitgevoerd. Dat zijn (absoluut) 42 SCEN-collega’s. Iedere SCEN-groep heeft mogelijk een of meer collega’s in de groep. Dezelfde getallen gelden ook voor de onjuiste opvatting dat het ondraaglijk lijden uit een somatische ziekte moet voortkomen. Ook is het een groot misverstand dat er een schriftelijke wilsverklaring moet zijn.

Het is bekend dat iedere arts, dus ook de SCEN-arts, zijn eigen normatieve kader c.q. persoonlijke zorgvuldigheidseisen heeft. Het is niet vanzelfsprekend dat dit persoonlijke kader gelijk is aan de ruimte van de wet. Artsen die zelf een verzoek om euthanasie krijgen mogen een verzoek weigeren als het niet binnen hun persoonlijk kader valt. Euthanasie is immers geen recht. Maar welke rol mag het eigen normatieve kader spelen bij een consulent, wiens belangrijkste taak het beoordelen van de wettelijke zorgvuldigheidseisen is? En kan een SCEN-arts wel onafhankelijk oordelen als deze vooronderstellingen of vooroordelen heeft?

6 Wat als er niet meer met de patiënt kan worden gecommuniceerd?
Een belangrijke reden voor ‘vroege’ consultaties is het voorkomen van situaties waarin tijdens de consultatie niet meer met de patiënt gecommuniceerd kan worden. Veel SCEN-artsen lijken ervan uit te gaan dat een consultatie niet meer mogelijk en zinnig is als er niet meer met de patiënt gecommuniceerd kan worden. Is dat echt zo? Volgens de wet vervangt dan het schriftelijk verzoek het mondelinge verzoek. Maar hoe kan je dan de overige zorgvuldigheidseisen toetsen?

7 Met welk consultatieverslag is de toetsingscommissie tevreden?
De leden van de Rte vinden dat SCEN-artsen het over het algemeen goed doen. Zij geven wel aan dat het belangrijk is dat SCEN-artsen actief zowel hun kennis als de kwaliteit van de consultatieverslagen op peil houden. Verder hechten de Rte leden vanuit de toetsingsprocedure erg aan de onafhankelijkheid van de SCEN-arts. Het is belangrijk dat SCEN-artsen die duidelijk omschrijven.
De Rte’s zijn van mening dat een verslag waar alles kort in beschreven staat, geen goed beeld geeft van de consultatie en daarom door commissieleden vaak geclassificeerd wordt als een ‘slecht’ verslag. Daarnaast worden verslagen waarin slechts het ziektebeeld staat beschreven zonder dat de criteria expliciet worden nagelopen en de aandacht voornamelijk uitgaat naar de ziekte in plaats van de zieke patiënt, vaak negatief beoordeeld door de Rte. Ook consultatieverslagen die uiteindelijk geen inzicht geven in de toetsing doordat er niet op het juiste moment is geconsulteerd (te vroeg/te laat) kunnen als minder goede consultaties worden opgevat.

8 Nut en noodzaak van begeleidingsbijeenkomsten
Van de SCEN-artsen zegt 96% het (heel) belangrijk te vinden in principe altijd naar begeleidingsbijeenkomsten te gaan. Tijdens deze bijeenkomsten wordt vaak gediscussieerd over ingewikkelde casus. Moet er niet explicieter worden gestreefd naar het bereiken van overeenstemming? En is het niet verstandig deze overeenstemming beter te documenteren ten behoeve van de onderlinge toetsing en normering? Wat zou de functie van de begeleider/EKC’er in deze kunnen zijn?

Diner Pensant
De dagvoorzitter legt een prikkelende stelling met een korte toelichting voor en legt uit wat de bedoeling is: inhoudelijk discussiëren onder genot van een glas fris of wijn en versnaperingen. Ook worden deelnemers gevraagd om in 5 minuten hun suggesties op papier te zetten. Vervolgens wordt enkele tafels gevraagd hun visie te geven op de (vraag) stelling.


Column

    Kanker: minder screenen, meer voorkomen

    Kanker: minder screenen, meer voorkomen Onderzoekers van het LUMC trokken onlangs een bijzondere - en omstreden - conclusie: borstkankerscreening bij vrouwen boven de 70 doet meer kwaad dan goed. Zij sloten daarmee aan bij recent Canadees onderzoek dat meer algemeen twijfel zaaide over het nut van borstkankerscreening. Column van Gert van Dijk. »»


Artsenfederatie KNMG bevordert de kwaliteit, veiligheid, transparantie en toetsbaarheid van medisch handelen en ondersteunt artsen daarin. Dit werk voeren we uit in nauwe samenhang met de zeven federatiepartners van de KNMG. Lees meer

Deelnemende sites

Voor deze site(s) bent u ingelogd